| |
Mijn streven is de verhalen uit het dagboek "Weg naar Kathmandu" verder uit te werken tot een boek met als werktitel
"Nooit meer motorrijden".
De volgorde is voralsnog willekeurig. Rode draad wordt de route die ik gevolgd heb.
1. de Engelbewaarder
2. de Wethouder
3. Fata Morgana
de Engelbewaarder.
Er staat een snoeiharde wind van rechts.
Het is warm, heel warm.
35°, ongekend voor Iran in maart.
Dit is een land met milde temperaturen in het voorjaar, ook in haar woestijnen.
Het is ons vooraf beloofd en we hebben de keuze van onze motorkleding daarop afgestemd.
Een medereiziger zwiept over de volle breedte van de weg naar de linkerkant.
Hij knalt met zijn BMW over de hoge rand van het asfalt en komt slingerend en schuivend tot stilstand in het grove zand naast de weg.
Er zijn die dag weinig auto’s onderweg en dus is er even plaats genoeg voor de ongewilde capriolen van motor en berijder.
Iraanse wegen zijn gelukkig vrijwel overal geweldig en vooral heel breed.
Llinks en rechts liggen uitgestrekte, lichtglooiende vlaktes met alleen maar zand en stenen.
En veel, heel veel zandduinen. Zoals in films.
Ik haat wind. Vooral die uit het westen ver weg, thuis in Nederland.
Ik rij vandaag van Shiraz naar de woestijnstad Yasd en niet zoals gebruikelijk van Hilversum terug naar huis.
Ik ben in Iran en heb mijn werk ver achter me gelaten.
Ik lig vrijwel steeds gestrekt op de tank van mijn motor, bang om onderuit geblazen te worden door de harde rukwinden van rechts.
Er heerst windkracht 10 met windstoten van meer dan 120 kilometer per uur.
Rijden doet op zulke dagen vaak pijn en we stoppen dan om even verlost te zijn van de motor.
We drinken chai terwijl we staan. Iedereen kijkt verwonderd naar ons.
Ik hou vanaf de eerste kilometer van dit land en zijn mensen.
Where are you from, misschien wel de meest gestelde vraag aan reizigers uit het buitenland en vrijwel altijd zijn het vrouwen die deze vraag stellen. Weinig mensen houden zo van hun land als Iraniërs en gedreven willen ze iedereen vertellen hoe mooi en bijzonder hun land wel niet is.
En of we dat vooral iedereen thuis willen laten weten.
It’s a bad wind who blows a good country ill, schiet door mijn hoofd.
Opeens is het zicht nul en ratelen stenen tegen mijn motorhelm. Een heuse, Iraanse zandstorm.
Zand kruipt tussen je kleding en in de motorhelm. Mijn tanden knarsen. It’s a bad wind.
Ik speur naar iedere verhoging aan de rechterkant van de weg.
Even rust. Even rechtzitten en de armen en benen ontspannen, het hoofd leegmaken en dan weer krom voor de volgende windstoot.
Voor mensen die veel reizen is de start van weer een reis het moment van in- of opstappen.
Voor anderen en ook voor mij ligt dat moment vaak om allerlei verschillende redenen eerder.
Ik weet nog precies de plek waar mijn reis naar Nepal eigenlijk begon. Op het moment dat ik vlak voor Arnhem op de vluchtstrook langs een volledig dicht gesneeuwde A12 bij hectometerpaal 113.7 van mijn motor stapte.
En daar ontmoette ik mijn engelbewaarder. Lang geleden is mij ingeprent dat zijn enige opdracht, door Hem gegeven, is mij op mijn levenswandel te beschermen en te behoeden voor ongeluk.
Ergens onderweg naar de Passo di Pardoi in Italië staan in een bocht onder een billboard een tiental mannen en een vrouw in zwarte leren pakken langs de weg. Sommigen praten en wijzen, de meesten zwijgen. Vijftig meter verderop ligt een gehavende Honda CBR 600. De 600 heeft de laatste 50 meter duidelijk niet op z’n twee wielen afgelegd. Op het asfalt voorbij de bocht de hoekige, met krijt getekende contouren van een mens. De witte krijtlijnen doen alle hoop verdwijnen.
Er ligt een motorlaars op de weg.
Op de billboard zelf staat in abstracte, vriendelijke contouren een motorrijder afgebeeld met daaronder de slogan: Geef je engelbewaarder ook een kans. De afgevoerde bestuurder van de Honda was duidelijk sneller dan zijn engelbewaarder kon vliegen.
Rijdend vanuit Doetinchem richting A12 en hectometerpaal 113.7 wordt ik ingehaald door een auto met een duits kenteken die meteen daarna tollend in de berm verdwijnt en tot stilstand komt tegen de vangrail. Even daarvoor was ik in Doetinchem na de laatste Nepal-meeting op mijn 1200 GSA gestapt. Het regende zachtjes. Maar de koude winter was achter de rug en het voorjaar kondigde zich aan en dus was ik onbezorgd.
Toen ik de auto in een regen van modder en gras de berm in zag denderen, voelde ik dat het een stuk kouder was dan die middag en meteen gingen alle alarmbellen af. IJzel. ‘Het zal toch niet zijn gaan ijzelen?’ Het gas gaat er af en kruipend begin ik aan de lange oprit naar de A12.
‘Of is het toch maar gewoon regen? Doorrijden sukkel’. Ik neem nog meer gas terug. Ik zie de regen overgaan in sneeuw.
Ik ben bang van wind maar met sneeuw heb ik niet zoveel ervaring. ‘Deze bocht heb ik gelukkig gehad. Ik hoef nu alleen nog maar rechtdoor. En dan ben ik over een uur thuis.’ Ik concentreer me op de auto voor me. Het tempo zakt verder en mijn vizier slaat aan. Ik zet het een beetje open.
Het tempo zakt nog meer en ik zet het vizier nog verder open. ‘Shit, nu begint mijn bril aan te slaan. En er komt ook nog sneeuw naar binnen’.
De weg wordt steeds witter. Er ontstaan twee zwarte sporen die steeds smaller worden. Het vizier staat nu helemaal open. ‘Je moet van de weg af. Straks ga je op je bek. Het is spekglad goddomme en je ziet geen donder meer. Die auto van zojuist in die berm, dat was een teken van je engelbewaarder. Zet dat ding aan de kant.’ Ik sta midden op de smalle vluchtstrook bovenop een viaduct. De vrachtauto’s rijden rakelings langs me.
Natte sneeuw spuit mijn kant uit. Voorzichtig rij ik slippend nog 50 meter door.
Wat nu. 'Bellen. Maar naar wie? Naar de politie? Naar de Wegenwacht?’
Naar thuis. Daar is iemand die wel raad weet. Ik heb het nummer al ingetoetst als ik voor mij op de vluchtstrook de achterlichten van een auto zie opgloeien. De binnenverlichting gaat even aan als het portier wordt geopend. Voorovergebogen komt een kleine man naar me toe met z’n jas gedeeltelijk voor zijn gezicht tegen de sneeuw. ‘Is dat mijn engelbewaarder? Ziet hij er zo uit? Gewoon in een zwart pak in plaats van iets wits?’ Vleugels zie ik ook niet. En hij rijdt in een gewone Toyota Carolla. Ik herken hem. Geen hemelse naam zoals Gabriel of Rafael, gewoon Sjef. En niet van boven maar uit Ridderkerk. ‘Ik ben je gaan zoeken. Ik dacht: die heeft het vast moeilijk met al die sneeuw. En toen ik tegen mijn vriendin zei: die hebben we gemist, zag ik je staan.’
Dankbaar zet ik de GS op de middenbok strak tegen de vangrail, schijfslot op het voorwiel en alarm aan. Een minuut later zit ik veilig tussen vier zoemende winterbanden naast mijn engelbewaarder en maak ik mijn eerste kilometers op weg naar Kathmandu.

de Wethouder.
Vanochtend lees ik op mijn notebook een mail van de nieuwe wethouder van de gemeente Veghel. Ik zit in Kathmandu in het Moonlight hotel samen met Jan Kroeze aan het ontbijt. Het hotel ligt in Thamel, de belangrijkste toeristische wijk. We vertrekken vanmiddag voor een paar dagen naar een resort in de Himalaya omdat onze terugvlucht naar huis met een onbekend aantal dagen is vertraagd. Kathmandu is een heerlijke stad maar we zijn het lawaai en de drukte even meer dan zat. We verlangen naar de rust en de schoonheid van buiten de stad. Bovendien zit Kathmandu en een groot deel van de omgeving ieder etmaal op wisselende tijden minstens 12 aaneengesloten uren zonder elektriciteit. De energievoorziening wordt dan overgenomen door honderden privé-generatoren waarvan het merendeel van een bedenkelijk kwaliteit en leeftijd is. Dat is te horen, te zien en vooral te ruiken. Zo gaan zaken waarbij elektriciteit nodig is toch nog enigszins normaal door. Dat vergt veel improvisatievermogen maar men is hierin in de loop der jaren buitengewoon inventief geworden. Zo staan in de vele internetcafés stapels autoaccu´s die in de daluren de elektriciteitsvraag van de computers overnemen. Cafés, restaurants, hotels, winkels en alles wat er toe doet, ze draaien haperend maar vooral heel lawaaierig door. Drie dagen geleden hebben we de motoren op de luchthaven gestript en de motorframes en losgedraaide onderdelen zoals voorwielen, sturen, windschermen en koffers stevig vastgesjord op stalen onderstellen. De afhandeling op het vliegveld was ruig en dus niet veelbelovend. Ze worden ooit teruggevlogen naar Nederland. Wanneer en vooral hoe weten we nog niet. Het kan misschien door de dreigende stakingen nog weken, misschien wel maanden duren en zien we bij thuiskomst alleen nog maar een wrak waarin we een rode GS 1200 Adventure herkennen.
‘Hallo Christ, mooi dat je de wereld aan het verkennen bent. Ik word vanavond beëdigd als nieuwe wethouder van de gemeente Veghel. Groet. Annemieke.’
Annemieke van de Ven was al eerder CDA-wethouder in mijn woonplaats Veghel. Zij en haar collega’s legden hun werk in juni 2008 neer na een vernietigend rapport over de cultuur op het stadhuis van het dorp. Burgemeester Arno Frankfort nam kort daarna ontslag.
Heeft Kathmandu eigenlijk wel een burgemeester en hoeveel wethouders zijn er hier eigenlijk? Ik ben een week geleden in Bairahawa met mijn motor onderuit gegaan. Niks ernstigs maar de opgelopen schaafwond aan mijn linkerbeen raakte ontstoken en dus ga ik nu vijf dagen lang in de tuktuk via een net van kleine straatjes naar het Internationale Hospitaalvan Kathmandu om de wond te laten schoonmaken door zuster Sorry. Schoonmaken is pijnlijk en steeds klinkt haar oprecht gemeende Sorry; om vervolgens stug door te gaan met haar werk. Vanochtend gelukkig voor de laatste keer. Sorry is Française en een van de vele diplomatenvrouwen die in dit hospitaal werken. Dit is haar vijfde jaar. Na een paar dagen gaf ze aarzelend toe dat dit Parijs van het Oosten toch niet haar gedroomde stad is. In de mail van Annemieke lees ik een opsomming van zaken waarvoor zij de komende regeerperiode verantwoordelijk wordt in Veghel en omringende dorpen.
Beheer openbare ruimte, wijkbeheer, vastgoed, afvalstoffenbeleid, nutsvoorzieningen, natuurontwikkeling, water, recreatie & toerisme, milieu/duurzame ontwikkeling, en coördinatie wijk- en dorpsraden.
Ik zit bij ons karige ontbijt toch enigszins verrast en verbaasd naar de wat droge opsomming te kijken. We zijn in Nepal, niet echt een welvarend land eigenlijk, zeg maar gewoon een derdewereld land. Een prachtig land overigens, in de steden maar zeker daar buiten. Geen land waar milieu en duurzame ontwikkeling, afvalstoffenbeleid, nutsvoorzieningen, natuurontwikkeling en water een hot item zijn.
De chauffeur van de Landrover die ons naar het resort in de bergen brengt, zoekt inmiddels zijn weg door de nauwe stad die bijna volledig lam gelegd wordt door weer een demonstratie, georganiseerd door de Maoïstische partij van dit land. Het is bijna 1 mei en overal hangen voor mij onleesbare posters met daarop de partijaanvoerder, heel erg herkenbaar geflankeerd door de koppen van Mao, Stalin, Lenin, Engels en Marx.
Ook staan er toevallig militaire parades gepland op het enorme paradeterrein midden in de stad. De voorbereidingen zijn overal in volle gang en dus ook overal erg merkbaar. De hele stad is grotendeels afgegrendeld en iedere Nepalees of toerist moet zelf maar een route zien te vinden naar zijn bestemming. Het is één grote Nepalese knoop waar nog geen zwaard voor is gevonden. Een afstand van vier kilometer vergt meer dan anderhalf uur. Op de vele kruispunten staan karren, auto’s, riksja’s, tuktuks en taxi’s halsstarrig tegenover elkaar. Grotere gaten worden snel opgevuld door vele motorfietsen en her en der is er altijd nog wel plaats voor voetgangers en een paar rondzwervende koeien. Rijbanen, ook op de autowegen zijn hier en in grensland India van iedereen. En dus staat alles wat rijdt en anderszins beweegt hier in Kathmandu muurvast en niets en niemand denkt aan wijken. Het lawaai van de claxons is enorm en vooral tergend.
De vele agenten met monddoekjes vinden het allemaal uiterst vermakelijk. Ben je politieagent in Kathmandu dan is je kostje gekocht voor de rest van je leven. Glimlachen achter een monddoekje tegen de smog en flaneren in een mooi pak is een topbaan in deze stad. Gewone burgers met een verrassend inzicht en schrille fluitjes proberen nog wat orde in de chaos te scheppen en soms lukt dat wonderwel.
Ik heb me achter de klep van mijn pet teruggetrokken en kijk naar de binnenkant van m’n ogen. Er verschijnt een versje van Godfried Bomans. Een hondje zit voor het raam en denkt: ‘Ik wou dat ik twee hondjes was, dan konden we lekker samen spelen.’
Hoeveel wethouders moet Annemieke van de Ven uit Veghel zijn om samen al die portefeuilles die zij opsomt in haar mail hier in Kathmandu tot een succes te maken?
Hoe handel je als wethouder in een stad waar grote delen van de dag geen elektriciteit is terwijl je als Nepalees bestuurder weet dat jouw land een groot deel van haar opgewekte energie exporteert naar het buitenland? Hoe voel je je als wethouder in een stad waar nog maar tien jaar geleden de kroonprins 11 leden van zijn koninklijke familie vermoordde inclusief zijn ouders? ‘Ik zie het Willem Alexander van Oranje nog niet doen en trouwens waarom zou ik me daar mee bezighouden?’, zal ze zeggen. Wat vindt zij van het grote machtsvertoon van het leger, de terreur van de Maoïsten in het hele land, de verdwenen miljarden aan ontwikkelingshulp waardoor Nepal nog steeds een van de armste landen ter wereld is met een enorme kindersterfte? En hoe pak je als wethoudersde enorme corruptie aan?
De kruiptocht door de stad naar het resort duurt nog uren en dus nodig ik haar uit om samen met mij kris kras door de stad een wandeling te maken en wat praktijk-voorbeelden te zoeken bij mijn overwegingen. Zij weet dat een vulkaanuitbarsting in IJsland voor grote vertragingen heeft gezorgd in het luchtverkeer. Europa is ver weg maar de gevolgen zijn zelfs hier in Kathmandu erg merkbaar. Vluchten terug naar huis zijn minstens met een week vertraagd. Gevolg is wel dat visa voor Nepal verlopen en dus verlengd moeten worden. En dat is in dit land big business merk ik. Verlengen van visa doe je op het Immigration Office, ergens in de stad. Niemand in Kathmandu heeft er ooit van gehoord maar iedere taxichauffeur en toerist weet het gebouw feilloos te vinden.
Als we samen bij het kantoor aankomen worden we op straat al meteen aangeklampt door mannen in officieel blauw. ‘Of ik mijn paspoort en 3500 roepies wil overhandigen.’ We negeren hen en lopen naar binnen achtervolgd door onze adviseurs. Binnen zien we hoe zo’n honderd gestrande toeristen een lange rij vormen in het trappenhuis. Een adviseur legt ons uit dat we kunnen kiezen. Een plekje zoeken aan het eind van de rij, boven aan de trap om na drie ofvier uur wachten en eindelijk aangeland bij een loket beneden paspoort, 3000 roepies en een ingevuld aanvraagformulier met pasfoto te overhandigen en…. daarna, als alles goed wordt bevonden, weggestuurd te worden met het verzoek morgen terugkomen om het paspoort met het nieuwe visum terug in ontvangst te nemen. Of de snellere manier, de manier van adviseur. De 500 extra roepies zijn voor de achterzak van adviseur. Ik kies voor het laatste want je leert snel hoe de hazen lopen in Nepal. Het gaat ongeveer 40 minuten duren, vertelt hij. Adviseur neemt ons mee terug naar buiten. We gaan een paar trappen en wat glibberige hellinkjes af en zijn plotseling in een nauw, heet en stinkend straatje vol groezelige mensen en winkeltjes. Een slager hangt achter een omhoog geklapte houten luik. Op een plank stukken van een geslacht dier, vol vliegen. Het lijken net krentenbroden. De stank en de warmte plakken meteen aan onze lijven. We gaan een eethuisje binnen naast de slagerij. Adviseur vraagt of we chia willen. Zelf drinkt hij liever een colaatje. Hij rookt aan een stuk door en is broodmager. ‘Willen jullie wat eten? Wij passen beleefd. ‘We hebben net ontbeten.’ Adviseurkiest voor een bordje MoMo’. Ik maak me intussen toch wat zorgen over de goede afloop van de transactie. Ambtenaar bestelt nog een flesje Pepsi en ik maak me nog wat meer zorgen. Ik kijk de aanstaande wethouder aan en zie dezelfde twijfel ook op haar gezicht. Plotseling schuift hij vriendelijk lachend de rekening mijn kant uit. Ik betaal het bedrag graag. We klimmen terug naar boven naar het Immigration Office. De rij op de trap is langer geworden. Adviseur loodst ons snel door de menigte naar een loket, roept wat en plots toont hij ons mijn paspoort met het nieuwe zegel.
Na 35 minuten staan we met een rekening van een paar roepies, paspoort met visum en een knagend geweten weer buiten.
We zijn eindelijk de stad uit en hotsenknotsen in de Landrover de bergen in. Ik zit links voorin en griezel van de enorm diepe afgronden.
Van de veel geroemde bergtoppen is niks te zien. Die staan mooi te zijn achter een dikke grauwsluier. Ook op 2400 meter hoogte zullen ze de komende drie dagen onzichtbaar blijven. Het weinige beschikbare akkerland onderweg is zorgvuldig opgedeeld in kleine, goed verzorgde perceeltjes, meestal rijstvelden en soms niet groter dan mijn voortuin thuis. Mensen in heel Nepal lopen. Of ze fietsen. De weinige auto’s zijn vooral vrachtauto’s.
Veel vrachtauto’s. Verwonderd kijken we onderweg naar voertuigen met kapotgereden banden en veringen of gebroken assen. Ze staan gewoon stil midden op de weg. Wat stenen rondom de auto’s geven aan dat er sprake is van een noodgeval en dat er gerepareerd wordt. Op vier plaatsen liggen in de diepe bermen verongelukte vrachtauto’s met de wielen omhoog. De lading is verdwenen en wat achterblijft zijn uitgeklede, roestige karkassen. Eén vrachtauto heeft in een gemiste bocht een huisje weggevaagd. Gelukkig zijn er vandaag geen ongelukken onderweg met autobussen want de roekeloos rijdende chauffeurs hebben naast de opgepropte, zwetende mensen binnenin ook altijd nog een stuk of tien passagiers boven op de daken zitten tussen de bagage.
In mijn gedachte neem ik de aanstaande wethouder van Veghel mee naar de voor Hindoes heilige Bagmatirivier bij het tempelcomplex Pashupatinath. Water is voor Hindoes het symbool voor leven, vergankelijkheid en oneindigheid. Deze sterk vervuilde rivier mondt uiteindelijk uit in de Ganges.
Met afvalstoffenbeleid, nutsvoorzieningen, water, recreatie & toerisme, milieu en duurzame ontwikkeling in haar portefeuille moet deze plek interessanter zijn dan het Immigration Office. We betalen de toegangsprijs van een paar honderd roepies. De heilige rivier is hier in dit erg warme voorjaar verschrompeld tot een armzalig stroompje, kniediep en zo’n twee tot drie meter breed. Het stroperige water is vaalgrijs en de droge rivierbedding ligt vol plastic en ander stinkend afval. Aan de overkant van de rivier, op de trappenkades, vinden zoals elke dag een aantal lijkverbrandingen plaats. We zoeken een plekje om naar de ceremonies te kijken. Om ons heen pelgrims, enkele toeristen en vooral bont beschilderde, wonderlijk uitziende en daarom erg fotogenieke heilige mannen. Ze verdienen geld met poseren en bedelen, soms op een erg agressieve manier. Bedelen hier is zoals overal in de stad een belangrijke bron van inkomsten. Sommigen gaan daarin heel ver; hij had z’n kunstbenen afgegespt en naast zich neergezet, een blinddoek voor de ogen gebonden en hij was languit in de modder naast het pad gaan liggen. Kermend trok hij mijn aandacht. Geld geven is onvermijdelijk in dit land en daarom heb ik steeds wat kleine biljetten in mijn broekzakken zitten. Ik was wel heel erg verrast door de watervlugge reactie van de blinde, beenloze man toen ik probeerde een briefje van 20 Roepies in het bakje te leggen. Het biljet waaide weg maar zijn reactie was fabuleus.
Onder aan de kademuur staan drie mensen tot hun heupen in het vuile water en tillen en trekken half verkoolde houtblokken uit het water en de modder. Ze worden voor hergebruik terug op de kade gegooid. Zo’n 50 meter verder stroomafwaarts wassen een aantal hindoes zich ritueel.
En nog even verderop doen huisvrouwen gewoon de was. In de verte begint de stad Kathmandu. De oevers van de Bagmatirivier worden daar gebruikt als vuilnisbelt. Er wroeten varkens door het afval en overal stijgt zwarte rook op van kleine brandjes.
Over enkele weken begint de moesson. Die spoelt de smog uit de lucht zodat de bergen voor even hun toppen kunnen tonen. Het smalle riviertje wordt dan een brede stroom die al het vuil op de oevers meesleurt dwars door de stad richting Ganges. De moesson als grote schoonmaker.
De doden op de crematieplaats aan de overkant zijn gewikkeld in kleurige doeken. Voordat het lichaam op de brandstapel van houtblokken wordt gelegd, dragen familieleden de dode driemaal rond de crematieplaats. Na wat kleine rituelen wordt het vuur aangestoken. Als het lichaam grotendeels is verbrand, verlaten de familieleden de plaats van de laatste eer. 'n Man port met een ijzeren stang in de stapel om het vuur brandend te houden.
Er valt een arm naar beneden. Even verderop wordt een bijna uitgebrande brandstapel de rivier ingeschoven. Er worden nieuwe houtblokken aangedragen voor de volgende verbranding. As en resten drijven langzaam weg richting vuilnisbelt en stad.
Ik laat de wethouder achter op de trappen van het tempelcomplex. We zijn in een resort aangekomen dat boven op een berg is gebouwd, 2500 meter hoog. De gestapelde woonvertrekken vormen een soort van piramide. IJzeren trappen aan de buitenkant voeren naar een stalen platform bovenop de vertrekken. Van hieruit heb je een vrij uitzicht op de omringende bergen. Omdat er weinig bezoekers zijn krijgen we kamers bovenin toegewezen.
Laat in de middag dalen we af naar het dorpje beneden. Langs de weg enkele bomen en veel hoog opgeschoten bamboe. Uit de velden rechts komen vijf gewapende soldaten gerend. Ze lopen verder naar het dorpje beneden. We lopen langs een school. Op het plein uniform geklede kinderen. Sommigen gooien stenen naar ons. Op een stuk rots langs de weg staat de afstand naar Kathmandu geschilderd. 12 mijl. Er scharrelen kippen omheen. De soldaten zitten in het internetcafé. We zijn maanden onderweg geweest en de indrukken waren overweldigend. Nu glijden ze steeds vaker aan ons voorbij. Ze worden deel van onszelf.
Ik zie geen standbeelden zoals in elk dorp in Frankrijk. Geen Jeanne d’ Arc op de Ballon D’Alzac. Geen gedenktekens op de Puy de Dome of de Barcelonette. De bergentoppen hier dulden geen concurrentie.
We eten in het restaurant van het resort. Ook nu is er geen elektriciteit en de noodgenerator werkt ook al niet. We eten bij kaarslicht. Het eten smaakt prima. We sluiten af met whisky. Vandaag wordt Annemieke weer beëdigd als wethouder.
De volgende morgen om vier uur schrik ik wakker van mensen die luidruchtig kwetterend langs de ijzeren trap naar boven klimmen. Boven mijn hoofd uiten acht chinezen hun teleurstelling. De monumentale bergtoppen vertonen zich weer niet.

Fata Morgana.
“Liesker. Met Liesker spreekt u. Mijnheer van Liempd, moet u eens luisteren. Wat heb ik nu weer gehoord?”
Henri Liesker is de tachtig al ver voorbij. Hij was ooit, eind jaren ’60, mijn tekenleraar op de middelbare school in Schijndel.
Zijn lessen en zijn enthousiaste manier van toen waren voor mij medebepalend voor de jaren daarna.
Ik koos voor een opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunst in ‘s-Hertogenbosch.
“Rijdt u met de motor helemaal naar Nepal? Maar dat is toch heel ver weg?”
Toen ik hem kort geleden bezocht zag ik een kleine, kromme man leunend op een stok.
Maar zijn geest was nog even lenig als toen hij recht en statig was.
Ook zijn ogen waren onveranderd en die beweeglijke, trillende handen had hij toen al.
“Jongelui, stel je voor, je staat aan de poort van de hemel. Je klopt, de poort gaat open en er verschijnt een man met een sleutel………”
Met die paar zinnen opende hij eens een les en zijn voordracht was zo beeldend dat ik werkelijk de hemelpoort open zag gaan. Ik hoorde hem zelfs piepen en knarsen. En in het tekenlokaal verscheen Petrus. Henri Liesker kon mijn fantasie zo prikkelen dat ik visioenen zag.
“Mijnheer van Liempd, wat denkt u daar in Nepal te gaan doen?”
Henri heeft nooit een rijbewijs gehaald. Voor zijn reizen heeft hij dat ding ook niet nodig. Zijn reizen maakt hij alleen, in zijn prachtige tuin thuis.
Hij reist daar langs kleurrijke bloemenperken en bloeiende struiken. En door zijn handen ontstaan op aquarelpapier wat zijn ogen onderweg waarnemen. Het wit in de perken blijft op papier onberoerd maar daar omheen groeien talloze kleuren die samen meer dan het evenbeeld vormen van wat hij ziet.
Dan verzanden zijn kleurrijke aquarellen in een fata morgana.
“Meneer Liesker, waar gaat u heen?”
Voorzichtig stapt de kromme, oude man van de weg af en loopt een stukje de lege woestijn in.
Dan staat hij stil en kijkt voorovergebogen aandachtig om zich heen. Met zijn wandelstok raakt hij voorzichtig de patronen in het duinzand aan.
Hij port in dorre struiken die bij iedere windvlaag verder rollen op hun reis naar nergens.
Zijn scherpe ogen tasten behoedzaam de horizon af.
Dan draait hij zich voorzichtig naar mij om en roept: “Prachtig. Werkelijk prachtig.”
Een aquarel zal hij er nooit van maken, daarvoor heeft hij te veel en te lang gereisd in zijn eigen bloementuin.

Volgende keer Jeanne D’Arc.

|
|
| | |