28 februari.
Wat een kloteweer. Dat was het eerste wat ik dacht toen ik om 6 uur buiten keek. Het regende ouwe wijven met klompen.
Ondanks de spanning had ik die nacht wonderwel goed geslapen.
Wel veel gedroomd over reizen waarin alles stroperig was en dus misging.
De buienradar gaf aan dat de heftigheid tegen 9 uur zou afnemen.
Dus ben ik volgens planning om 8 uur gaan rijden.
Als een dweil. Alsof ik er voor de eerste keer opzat. En bang om tijdens de eerste kilometers op mijn bek te gaan of ergens in een sloot te verdwijnen. Het is me nog nooit overkomen maar zoiets zou een eerste klas blamage zijn geweest.
In de buurt van Keulen hield het op met regenen en in de verte waren zelfs al wat blauwe stukken te zien.
Daar heb ik me de uren daarna op gericht. Veel dichterbij kwamen ze niet.
Duitsland is een prachtig land alleen niet als je op de Autobahn zit.
Eindeloos slaapverwekkend. Dus vaak stoppen, af en toe het vizier open en hardop zingen of fluiten helpt ook. Op zo’n dag wil je meters maken.
Voorbij Frankfurt was er de zon, mager welliswaar en kwam ook het ritme terug. Nog niet zoals het hoort maar ik reed niet meer als een natte krant.
De laatste sporen van de winter maakten het landschap ook wat aantrekkelijker. De laatste honderd kilometer gingen als een fluitje.
En ik was na 679 kilometer warempel als eerste op de bestemming.
1 maart
Gisterenavond hebben Jan Kroeze en ik besloten bij mooi weer de eerste honderd kilometer naar Passau niet via de autobahn te rijden maar de grillige loop van de Donau te volgen.
En mooi weer was het. Het koste even wat moeite het juiste spoor te vinden maar na wat verkeerde afslagen en een hobbelig industrieterrein konden we aanhaken.
En dan gewoon lekker rijden over kronkelige wegen met af en toe fraaie uitzichten op de overvolle rivier. En links en rechts de bergen met de laatste resten van de winter.
Bij Passau de autoweg weer op richting Wenen.
Er stond een stevige wind in de rug die zorgde voor een zeer heldere blik op de Alpen in de verte en ook Wenen was doordoor van boven bezien indrukwekkend.
Vlak voor de Hongaarse grens werden we naar de kant gehaald door de Oostenrijkse politie.
`Waar de reis dan wel heenging` was de vraag.
`Naar Nepal` was het al even laconieke antwoord.
We hebben uitgelegd waar dat lag.
`Nou ik ga liever naar Holland` was de reactie en een collega beaamde dat.
Met enig geluk zijn we achter de hoosbuien aan doorgereden naar Boedapest om pardoes midden in de stad in een file te belanden.
Een mooie gelegenheid om de stad te bewonderen.
2 maart
Van een gepland bezoek aan de citadel van Boedapest gisterenavond was niets terecht gekomen. Het weer was er niet naar.
Bovendien waren we laat binnen. Wel waren we nog in de gelegenheid in een achteraf straatje kennis te maken met de Hongaarse keuken.
De goulaschsoep was prima, echter de hoofgerechten waren zo zout dat je er een klein Nederlands dorp in de afgelopen winter een plezier mee zou hebben gedaan.
Omdat de reis lang en saai zou worden, er moesten kilometers gemaakt worden, besloten Jan en ik op de motor vooraf toch nog een bezoekje te brengen aan de citadel. Het uitzicht van daaraf over de stad is prachtig.
Daarna knallen naar de grens met Servië.200 kilometer over een kaarsrechte autoweg.
Na de grens verandert het beeld totaal. De lach ontbreekt. Harde, norse koppen. En van de wegen, de huizen en de omgeving wordt je ook zelf somber. Veel is kapot of niet af.
En dan is daar plotseling de witte stad Belgrado. Vanaf de autoweg die de Donau overbrugt heb je heel kort een prachtige inkijk in de stad.
Dat maakte zo´n indruk dat ik voor de bochtenrijke afdaling die bijna meteen daarna volgt beide banen van de autoweg nodig had.
En o ja autoweg! Wij Nederlanders vinden vluchtstroken vaak overbodig asfalt. Je mag er per slot van rekening niks.
In de Balkan denken ze daar heel anders over. Je kunt er bijvoorbeeld fietsen. Of met z´n tweetjes lekker wandelen. Je paard uitlaten. Rechts inhalen gaat gemakkelijker. Het is een prima laatste rustplaats voor de vele, doodgereden zwerfhonden. Of je legergroene Fiat parkeren. Twee stuks is mooier en dwars over de vluchtstrook natuurlijk. Het past net niet maar een kniesoor die daar wat van zegt. Ook leuk, een koffietent met terras op de plaats van de vangrail en op de vluchtstrook een parkeerterrein voor motoren en auto´s. En weet je niet waarheen met een colonne wegenbouwmachines? Juist. En verlichting? Welnee.
De aankomst bij het hotel in Nis was lastig. De weg stijl naar boven was moeilijk en zat vol gaten. Twee collega´s gingen onderuit.
De materiaalschade was aanzienlijk kleiner dan de schade aan de ego´s.
3 maart
Vannacht in Nish heb ik besloten mijn Hollands cynisme achter me te laten. Laat ieder met zijn vluchtstroken doen wat hij of zij wil. ’s Lands eer ’s lands wijs. Vandaag wordt ik Bulgaar met de Bulgaren en morgen en de week daarna ben ik Turk. Het is de enigste manier om ontspannen verder te komen op deze reis.
Het vertrek vanmorgen ging aarzelend. De beschadigde ego’s waren door een goede nachtrust weer gladgestreken. Maar iedereen nam de rechterbocht vanuit de ondergrondse garage naar de stijl aflopende weg toch met de nodige voorzichtigheid. Op naar mijn nieuwe landgenoten in Bulgarije. Via Sofia naar Plovdiv
Maakte iedereen in Nederland zich druk over die paar gaten in autowegen door de recente vorstperiode; in Bulgarije zit niemand daar mee. Geen krant schrijft erover en geen zender verspilt er zijn zendtijd aan.
En die gaten zijn soms toch zo groot dat er zomaar twee koffers van een BMW Adventure in passen. Bulgaren rijden er gewoon omheen en Jan Kroeze en ik als echte Bulgaren ook. En we hebben er ook nog lol in.
De eerdere grenspassage was een eitje. Als je maar uitlegt dat je naar Nepal gaat. Ze zeggen het niet maar stiekem verklaren ze je voor gek.
In Sofia was ik eerder geweest. Om precies te zijn 44 jaar geleden toen de Koude oorlog in volle gang was. ’n Jongetje nog dus. Ik herinner me een stad met woeste, grote gebouwen versiert met portretten van Lenin, Engels en Marx. En hele brede straten. En helemaal leeg.
De hoofdroute naar Turkije loopt dwars door de stad en even verlangde ik weer naar die Koude Oorlog met z’n lege straten en woeste gebouwen.
Via een spannende omweg door de bergen en dus sneeuw arriveerden we in Plovdiv.
Nu, tijdens het tikken, realiseer ik me dat er onderweg dingen veranderd zijn. De straathonden zijn valser, paarden worden ezels. Alsof we teruggaan in de tijd. Langs de wegen zie je plots weer platte karren, getrokken door 'n paard of 'n ezel. Op de kar zelf altijd twee of drie personen.
En meteen denk ik aan de drie broers in mijn vorige woonplaats.
Ze waren schuw en leefden teruggetrokken. Soms zag je ze op ook zo’n kar voorbij sjokken. Twee broers voor en de derde altijd achterop met bungelende beentjes. De beide handen plat op de wagen en alle drie met een peuk aan de onderlip geplakt.
Bungelende beentjes verdween het eerst en daarna de broer die baas was over de teugels.
Het paard werd verkocht en de kar stond werkeloos achter de vervallen boerderij met de burries bijna symbolisch wijzend naar de hemel. De laatste broer werd twee jaar later met het gezicht naar diezelfde hemel dood aangetroffen in het maïsveld. Daar was een open plek waar ze al hun leven lang kwamen omdat elke sanitaire voorziening in de boerderij ontbrak. Later kwamen mannen in witte pakken en met maskers voor hun gezicht de boerderij leeghalen.
Een dag met herinneringen. Niet vergeten, morgen wordt ik Turk.
4 en 5 maart
Samen met Sylvia loop ik onder de Galatabrug in Istanbul.
Zij is oud-collega en sinds een half jaar correspondent in Istanbul.
De restaurants zitten vol, voornamelijk toeristen. Bij elke deur nodigt men ons indringend maar vriendelijk uit om binnen te komen. We gaan een van de laatste lokalen binnen waar het minder druk is.
De eigenaar gaat ons voor.
Gisteren zijn we hier aangekomen vanuit Plovdiv. In het eerste stuk door Bulgarije zien we de rafelranden van de Europa. En aan die rand plotseling beton. Wit beton, hoog met veel hekwerk en slagbomen.
Door smalle poorten wurmen we ons naar binnen. We staan op het punt het bastion EU te verlaten. Hier is met veel Europees geld een versperring opgeworpen voor hen die op zoek zijn naar beter. Maar dat beter houden we liever nog even voor ons zelf. Vandaar dat beton. De controle en aanschaf van een visum verlopen vlot.
En dan met 140 zesbaans naar Istanbul. Ruim 200 km vrijwel lege weg.
Projecteer zoiets eens tussen Den Bosch en Groningen!
Maar de laatste 20 hectische kilometers naar het centrum van Istanbul brengen de zaak snel weer in balans.
We zoeken een tafel wat verder weg van de winderige toegangsdeur en hangen onze jassen op. De eigenaar vraagt ons plechtig met hem mee te komen. Hij gaat ons voor naar een hoek van het restaurant waar een groot prikbord hangt en gaat schuin voor het bord staan, de armen hangend naar beneden, de open handen naar binnen gekruist.
Met een naar boven gestrekte linkerhand wijst hij over de schouder naar een foto. Dat is Meneer Mak.
De hand gaat weer naar beneden en zwijgend kijkt hij over onze schouders het restaurant in. Wij kijken naar een foto van Geert Mak.
Natuurlijk kennen de schrijver meneer Mak en zijn boek ‘De brug’.
Na dertig seconden gaat de hand naar de tweede foto. Dat zijn Meneer Mak en ikzelf. Wij bekijken ook deze foto langdurig.
Weer diezelfde hand. Meneer Mak heeft een boek geschreven over de brug hierboven.
Op mijn eerste dag als Turk voel ik warempel een beetje trots. Iemand uit Nederland die een boek schrijft over onze brug. Prachtig.
En weer gaat de hand omhoog. Nu naar een handgeschreven tekst.
Hier verklaart Meneer Mak plechtig dat ons restaurant……
Wij lezen de tekst. De eigenaar verdwijnt maar als wij ons omdraaien, staat hij weer achter ons. Op de naar boven gerichte handen hét boek.
Hij laat ons de pagina zien waar zijn naam staat. En of we ook iets in het boek willen schrijven voordat we weggaan. Dat willen wij graag natuurlijk. Zwevend brengt hij ons terug naar de tafel. Boven horen wij de brug.
Als je Istanbul op de motor binnenrijdt, verstijf je. Hoe overleef ik dit? We stranden midden in de stad. De GPS heeft ons niet naar de juiste plek gebracht. Meteen is er van alle kanten hulp.
Uiteindelijk gaat een taxichauffeur tegen betaling ons voor. Dat doet hij luid claxonerend en met knipperende lichten. We zijn belangrijk.
Bij ieder stoplicht of oponthoud vliegt hij uit de auto en overstort ons met vloeiend Engels. Omdat we een helm en gehoorbeschermers dragen hebben we geen idee waarover hij praat en gebaart. In een smal straatje vindt hij het hotel. Als we afstappen roept hij Come my friend, please come. Give me twenty Euro. We vinden het bedrag wel erg royaal en gunnen hem nog wat tijd om een en ander opnieuw te heroverwegen.
Hebben we mooi de gelegenheid de bagage van de motoren te halen en het hotel binnen te brengen. Het verkeer in de straat loopt langzaam vast en we horen steeds meer claxons. Dat werk schijnbaar louterend.
My friend. Hallo my friend , please come, please come. I make mistake. Not 20 Euro but 20 Lira. Oke, oke? Inclusief fooi vonden wij dat wel in orde.
Er komen twee obers naar onze tafel met een groot houten dienblad. Daarop tientallen kleine schaaltjes met heerlijke voorgerechten. In veel Turkse restaurants is dit een gebruikelijk ritueel. Laten zien wat je in huis hebt. We kiezen er een paar uit en eten die gezamenlijk op.
Daarna hetzelfde ritueel bij het hoofdgerecht. Allerlei vissen worden getoond. We kiezen. Tijdens het eten roeren we verbaal heerlijk in de actualiteitenrubriek waarvoor we beiden hebben gewerkt. Ieder instituut heeft zo z’n beerput.
Toen ik acht jaar geleden, ook op de motor, voor het eerst in Istanbul was, ben ik na ééndag in de stad weggevlucht naar het platteland.
Dat past beter bij me dacht ik toen. Als verlichte Turk van nu zie ik de fout die ik toen maakte. Alles diende zich aan te passen aan mij. Nu ik met andere ogen rondkijk zie ik ook een andere stad met andere mensen.
Het verkeer is angstaanjagend chaotisch maar ongelukken heb ik nergens gezien. Hoor je in andere steden dag en nacht sirenes van politie en ambulances, hier niet. Je zou verwachten dat hier alleen schroot over de weg rijdt. Het tegendeel is waar. Zelden zo weinig deuken gezien.
En al die opdringerige Turken? Ben je de weg kwijt; er is meteen iemand die je te hulp schiet. Laat je jouw fototas achter in een restaurant; er komt iemand luid roepend achter je aan gerend. Vergeten een chipkaart te kopen die toegang verleent tot de brug over de Bosporus; meteen is er iemand die met zijn kaart jouw doorgang verleent.
En dan dat gesteggel over geld. Zie het is een spel. De Turk verwacht niet anders dan dat je daar vol overgave aan meedoet.
Er wonen 16 miljoen mensen in Istanbul. Ik zie vooral zorgzame, bezorgde mensen. Het is gewoon de enigste manier om elkaar niet te verzuipen in de Bosporus. Wel is het leven wat moeilijker hier maar juist daarom ook beter zichtbaar.
We schrijven een paar korte zinnen in het boek De Brug van Geert Mak en zetten daar onze voornamen bij. We schudden de hand van een trotse man en lopen door een verlaten tunnel naar het tramstation. Links en rechts ligt allerlei handelswaar opgestapeld, afgedekt met doeken. Ik weet absoluut zeker dat er de volgende morgen niets ontbreekt.
12 maart
Zomaar een snel berichtje tussendoor.
Vandaag de zwaarste dag tot nu toe.
Weliswaar maar 340 kilometer maar dwars door een grimmige land vol Koerden en ook nog eens door het gebied van recente aardbevingen.
Er zijn in dit gebied erg veel militairen op de been. Overal tanks, pantservoertuigen en zwaarbewapende militairen. We voelden ons niet echt op ons gemak.
Zwaar was het omdat we over twee hoge passen zijn gereden met zeer slechte wegen vol diepe gaten. Het was slalommen. Over grote stukken was er geen sprake meer van een weg. Grove grind, zand, modder en smeltwater. Links en rechts meters hoge sneeuw.
Van Ludo Peeters heb ik de juiste rijtechniek geleerd. Gaan staan, in mijn geval omdat ik lang ben, half zittend op mijn bagage achter me, knieën tegen de motor gedrukt, handen lichtjes op het stuur, motor in de tweede versnelling en continu het gas erop. De motor z’n gang laten gaan.
Het voorwiel wil altijd rechtuit en de motor gaat naar het punt waarnaar je kijkt. En bijsturen doe je met je knieën.
En warempel het is gelukt. Ik heb ontzettende pijn in de bovenbenen en de polsen maar ik ben er doorheen gekomen. Wel met een vet hart maar een geweldige les voor wat nog komen gaat. Morgen gaan we naar de Iranese grens waarna een rustdag volgt. Bedoeling is die dag een bezoek te brengen aan de Ararat, de hoogste berg van Turkije. Volgens overlevering is daar de ark van Noach gestrand.
 
14 maart
Vannacht was er weer een aardbeving precies onder ons. 3.8 op de schaal van Richter.
Ik lag net te slapen toen mijn bed flink begon te schudden. We zijn naar beneden gegaan en hebben een tijdje op straat gestaan net als veel andere mensen hier in het stadje. Aan de beving ging een hevige klap vooraf die ik niet gehoord heb. Na een uur is iedereen weer naar bed gegaan. En ik heb prima geslapen moet ik zeggen.
11 maart
Er is een hoop veranderd de afgelopen dagen. En toch is er ook veel hetzelfde gebleven.
Vanmorgen zat ik voor het hotel in Malatya naar de stad te kijken. Er scheen een mager zonnetje door de wolken. En toen dacht ik aan Jack Vance, schrijver van sciencefictionverhalen. Of eigenlijk kun je zeggen dat hij reisverhalen schrijft. Over reizen naar andere planeten en zonnestelsels.
Over hoe dat technisch in z’n werk gaat, daarover maakt hij zich niet druk. “Op ’n namiddag morste iemand per ongeluk een vloeistof op een muntstuk waarna het stukje metaal met duizelingwekkende vaart dwars door het dak de ruimte inschoot.”
Met één zin laat de schrijver je fantasie op hol slaan.
Nog zo’n zin. “De oude aarde, een planeet die om een stervende zon draait.” En weer maakt je fantasie een sprong.
De reizen gaan naar planeten als Durdane en Chai. Voor beschrijving van de beschavingen daar neemt hij al wat meer de tijd. Naar het hem uitkomt zijn ze liefelijk, woest, barbaars, weelderig, wreed of alles tegelijk.
Nog meer aandacht besteedt hij aan de schildering van de steden en dorpen en zijn bewoners. Daar zijn de rijken, vaak serene wezens die in kastelen wonen met gevelplaten van kunststof en kristallen koepels. Ze wonen op hoge bergen. En beneden liggen rommelige stadjes met eeuwenoude, houten huizen en kronkelige, smalle straatjes. De stadjes zijn gevuld met exotische wezens, charlatans, ordehandhavers, handwerklieden die verenigd zijn in gildes, artiesten, musici enz. Ook zijn er veel herbergen waar lauw bier en thee geschonken wordt en natuurlijk theaters. Veel aandacht is er bij het schrijven voor uitingen van cultuur. Over muziek schrijft hij pagina’s vol op een manier die al vrijwel meteen pijn doet aan je oren. Met hetzelfde satanische genoegen beschrijft hij de mode van de heren maar vooral van de dames. Vormen die absoluut niet bij elkaar passen en vloekende kleuren verheft hij tot hét modebeeld van dat moment. En natuurlijk is er de galactische overheid het IPCC en hoe kan het ook anders, de grote roerganger die het totale universum doorgrond heeft.
Toen ik naar de stervende zon boven Malatya keek en terugdacht aan de dagen daarvoor bedacht ik opeens dat wij ook met zo’n reis bezig zijn.
Veel is hetzelfde maar heel veel is ook anders. Het verschil zit hem precies in die dingen waar Jack Vance over schrijft. Namelijk in kleine dingen.
Na Istanbul werd de wereld weer even zoals wij die kennen. Oke er is anders klinkende muziek die soms ook pijn doet aan je oren maar Ankara en Koniya zijn grote, westerse steden. Een beetje saai eigenlijk na de stad aan de Bosporus. Maar na Koniya veranderde dat beeld sterk. We reden dagen over een hoogvlakte op zo’n 1000 meter. Deze steppe is vlak als een biljardtafel.
En, werkelijk geen boom te zien. Wel zie je overal slanke minaretten die duiden op de aanwezigheid van een moskee en dus de grote roerganger. De dorpjes zijn heel rommelig en erg armoedig. Vrouwen zie je er nauwelijks, rondhangende mannen des te meer. De kleding beantwoord overigens niet aan het `modebeeld´ dat Vance in zijn boeken schildert maar het is wel duidelijk anders.
Bij tussenstops loopt meteen het hele dorp uit en nodigen ze je uit Çay, thee, met ze te drinken. Soms moet er in grotere plaatsen zelfs politie aan te pas komen om zaken in goede banen te leiden.
En dan na honderden kilometers steppe is daar plotseling het Valkenburg van Turkije. Göreme in Cappadocië. Een grillig, middeleeuws aandoend dorp. Het landschap in en om het dorp bestaat uit tufsteen, ontstaan door uitbarstingen van vulkanen, en kalksteen. Door verwering van de verschillende gesteenten is er een bijzonder en grillig landschap ontstaan met diepe ravijnen en kegelformaties waarvan woningen gemaakt werden.
In 1950 werd dat wegens instortingsgevaar door de overheid verboden. De rotswanden zien er nu uit als gatenkaas. Veel grotten zijn omgevormd tot prachtige hotelkamers (zie fotogalerij hieronder).
Na dit stadje wordt de wereld steeds wonderlijker. Alles is wijds door het ontbreken van bomen. Aan de horizon steeds besneeuwde bergen. De wegen naar de passen zijn vaak zeer slecht begaanbaar. En boven is het koud en leeg.
We zijn nu in Dogubayazit vlak bij de Iranese grens. Vannacht werd het stadje en wij opgeschrikt door een lichte aardbeving. We lagen te schudden in bed en hebben het uur daarna op straat doorgebracht.
Net als de andere bewoners van de stad.
Jack Vance schreef zijn beste verhalen ruim 50 jaar geleden. Hij zocht zijn inspiratie op verre planeten maar het had ook zomaar onze motorreis naar Nepal kunnen zijn.
Morgen ben ik Turk af. Ik wordt Iraniër. Alhoewel. Als ik aan onze leider denk, die ongeschoren man zonder stropdas, dan twijfel ik. Ik verzin wel wat.
16 maart
It’s a bad wind who blows a good country ill.
Dat is een eerste indruk na twee dagen Iran.
Waaien doet het ook in letterlijke zin. Al twee dagen stormt het hier.
Windkracht 10 met windstoten van meer dan 120 km per uur.
En daar rijden wij dwars doorheen. Gisteren 340 en vandaag 600 kilometer. En voor het landschap en de stofstormen hoef niet naar een andere planeet. Welcome to planet earth.
De grens met Turkije was ook alweer zo’n bastion waarvoor aan Turkse kant honderden vrachtauto’s staan te wachten om in te klaren.
Wachttijd 4 dagen. Waarom zo lang is dan nog volstrekt onduidelijk.
Onze passage duurde maar 3 uur. Dat kwam mede door het ochtendgebed en haperende computers. Alles en iedereen ging plat.
Wel is iedereen zeer behulpzaam en vriendelijk.
De dame in ons gezelschap verdween op dwingend verzoek van de autoriteit onder een sluier, een exemplaar thuis aangeschaft.
Werkelijk, het vod zag er niet uit.
Een Iraanse met twee kinderen wenkte naar haar.
Kom, jij bent een vrouw, jij bent een van ons, kom. Hier eet enpak deze sluier aan.
Zij gaf haar een van haar eigen mooie sluiers.
Deze solidariteit naar buiten toe onder elkaar is iets wat meteen opvalt, vooral in de steden. De sluier is daar tot modebeeld verheven en dit en de manier van dragen kun je niet anders zien als een stil protest.
Mannen, zoals Esi en Reza zijn verbaal zeer duidelijk. Het verbond tussen staat en religie is the bad wind voor Iran.
Omdat ik 300 Euro had omgeruild tegen bijna 5 miljoen Iraans papier reden we als miljonairs het land binnen.
Benzine kost………27 eurocent. Diesel…..2 eurocent. Ja, het staat er echt. Voor 5 Euro is je tank vol.
De rit naar Tabriz was geen pretje. De harde wind stond schuin van voren.
Ik heb honderden kilometers plat op de motor gelegen en heb diverse begrafenissen aan me voorbij zien trekken.
En ook vandaag hetzelfde verhaal. De ritlengte was 630 km.
In zulke omstandigheden rijdt iedereen zijn eigen rit. Je hebt weinig aan elkaar. Op het traject door de woestijn waren er ook verschillende zandstormen. Het zicht was dan werkelijk nul. Zand en stenen ratelde tegen je windscherm, je helm en je benen.
Jan Kroeze en ik reden ons eigen tempo en raakten achterop. Maar sluwe vossen als we zijn, reden wij een route die zo’n 50 kilometer korter was.
In een stadje onderweg werden we uitgenodigd voor een lunch. Reza, een leraar Engels stond daarop. Hij en Esi, een civiel ingenieur uit Teheran, en tientallen andere mensen willen ons allemaal steeds weer duidelijk maken dat Iran geen slecht land is. Ze vragen waar wij vandaan komen, hoe we heten, wat we doen en om toch vooral goed te kijken naar hun prachtige land.
Tot onze verbazing waren we als eerste in Hamadan. De rest kwam mopperend binnen. Er waren handschoenen weg, een motor was van de zijstandaard gewaaid, sommigen waren financieel onheus behandeld en er waren weer enkele processen verbaal uitgedeeld. Wij luisterden gelaten.
Iraniër zijn mooie mensen. En zij hebben iets over zich wat waarschijnlijk voortkomt uit hun duizenden jaren oude beschaving. Iets wat dateert uit de tijd van Meden en Perzen, Euphraat en Tygris, Nebukatnessar en de hangende tuinen van Babylon.
Innerlijke beschaving heet dat, geloof ik. Ik denk dat ik me de komende dagen liever Pers noem. Die jas past me wel. Ik hou jullie hiervan op de hoogte.
16 maart
Vanavond kwamen twee mannen en twee vrouwen het hotel binnenlopen.
Of er foto’s genomen waren in de buurt van een militaire basis 80 kilometer terug. Jan en ik waren daar inderdaad gestopt. En of er foto’s waren gemaakt van de rellige sfeer op een plein vlak bij het hotel.
Ze wilden graag alle kamera’s controleren op ongeoorloofde foto’s.
Er werden geen foto’s aangetroffen die niet geoorloofd waren. Daarna verlieten de twee vrouwen en een man het hotel weer. De andere man bleef achter in de lobby van het hotel.
20 maart
Ik wens jullie vanuit Tabriz een gelukkig Nieuwjaar. Morgen is het 1389 geleden dat de profeet Mohammed werd geboren. En dat wordt hier stevig gevierd. Van de 70 miljoen Iraniër zijn er nu 50 miljoen onderweg naar hun familie. Gisteren op weg hierheen waren we daarvan al getuige.
Iran is een prachtig land met prachtige mensen. Gastvrij, vriendelijk, open en zeer zeer nieuwsgierig. Alleen een ding moeten ze niet doen.
Autorijden. En al helemaal niet met honderdduizenden tegelijkertijd.
Bij het binnenrijden van Esfahan tijdens avondspits, een paar dagen geleden, waren we daar al getuige van. Tegen een muur lag een zwaar gewonde man, op de weg een man met gebroken benen en een doek over het hoofd. Ik wist niet dat er zoveel bloed in een mens zit. Hij was de eerste van 24000 dodelijke slachtoffers in de komende 12 maanden.
Iran voert hiermee wereldwijd de ranglijst aan.
Motoren zijn door de enorme drukte in de steden erg populair.
Het zijn nijdige wespen van 125 cc en daarvan zijn er net zoveel als auto’s. En met vaak wel drie personen erop. Zo gauw ze hun grote broer van 1200 cc ontdekken komen ze op je af en zwermen aan alle kanten om je heen. Terwijl jij je handen vol hebt in het hectische verkeer beginnen ze van alles te roepen en te vragen. Tijdens het rijden maken ze foto’s met hun mobiel en bellen naar vrienden die uit alle hoeken en gaten opduiken.
Ze zitten bijkans met hun motortje op jouw benzinetank.
Zoveel vriendelijkheid en nieuwsgierigheid laat je gelaten over je heen komen maar ik voel dat grote broer soms begint te grommen. Hij wil dan het liefst zo’n wesp vermorzelen. Rondvliegende stuurtjes, motorblokjes en kromme velgjes. En als het nog langer duurt overgoten met liters bloed en afgerukte ledematen.
Hello, welcome to Iran. Where are you from?
Uit een autoraam steekt een stralend gezicht. De neus van zijn auto staat bijna onder de benzinetank van de BMW. Gezicht en ik doorlopen samen het gebruikelijke ritueel van vragen en antwoorden. Na afloop gebaart hij vriendelijk dat ik voorlangs mag. Daar wil ik graag gebruik van maken maar eerst moet ik hem toch vragen om de auto iets te verplaatsen want zijn linkervoorwiel staat al die tijd al op mijn rechtervoet. Stralend zet gezicht de auto 2,5 cm achteruit. Meer plaats is er niet.
In Isfahan wurmen we ons al twee uur door het chaotische verkeer als van twee motorfietsen alle alarmlichten beginnen te knipperen. De motoren zijn oververhit. Vlak voor een grote kruising van wegen laten we ze een half uur afkoelen. In die tijd kijken we met verbazing naar wat daar allemaal gebeurt.

Groen, alles kan en mag. Oranje, alles kan en mag nog steeds. Rood, alles kan en mag nog net.
Iedereen doet waar ie zin in heeft. En overal lopen mensen dwars door het voortkruipende verkeer heen. Vier politiemensen staan machteloos met bordjes te zwaaien. Totale anarchie eigenlijk.
Het landschap in Iran is overweldigend. Woestijnen in prachtige kleuren, bergen tot wel 5000 meter en vruchtbare gebieden en overal zeer goede wegen. En van die wegen wordt druk gebruik gemaakt omdat de liter benzine hier goedkoper is dan een fles water. Niemand maalt om energie-zuinige auto’s. Hoewel Iran een olie producerend land is wordt veel dure benzine ingevoerd. Via forse subsidies wordt de prijs laag gehouden. Veel (vracht)auto’s zijn oud en van onduidelijke afkomst. Overal wordt aan auto’s gesleuteld om ze rijdend te houden. In de tientallen kleine werkplaatsen die je aantreft bij het binnenrijden van ieder dorp of stad maar ook onderweg.
Volgens Elisa Scholten is deze situatie op den duur voor Iran niet vol te houden. Op een terras boven de bazaar aan het mooie Imanplein vertelt zij over leven en wonen in Iran. Zij is gedragswetenschapper en woont sinds vijf jaar met haar man en twee kinderen in Isfahan. Uit haar verhaal komt toch duidelijk naar voren dat er in Nederland en daar buiten een sterk vertekend beeld bestaat over Iran. Iran verandert. Natuurlijk zijn er kledingvoorschriften, vooral voor vrouwen. Toch lijken die op den duur niet houdbaar. En vrouwen zijn beslist niet onderdanig. Elke dag spreken tientallen vrouwen ons aan in uitstekend Engels. Ze willen van alles weten en vertellen breeduit over hun land en zichzelf. Ze zijn uitdagend en laten zich graag fotograferen. Niet allemaal natuurlijk. De meeste vrouwen zijn vrij in de keuze van een partner. Elisa vertelt dat er veel vreemd gegaan wordt in Iran, vooral door vrouwen. Volgens de Sharia is de straf hiervoor steniging en die wordt ook wel eens opgelegd, vooral op het platteland, maar altijd overruled door Teheran. Het drugsprobleem in Iran is bijzonder groot. Drugs zijn makkelijk te verkrijgen en ze zijn goedkoop. Deze problematiek schijnt groter te zijn dan waar ter wereld ook. Kortom, Iran is een normaler land dan de media ons vaak doen geloven.
Het zijn pas eerste indrukken want we zijn nog maar zo kort hier.
Wordt dus vervolgd.
22 maart
Engelbewaarder.
We rijden door de woestijn naar Yasd en ik denk aan sneeuw.
En toen ik daaraan dacht, vroeg ik me af: “Wanneer begint nou eigenlijk een reis?” Logisch toch.
Voor de veelreiziger begint de reis op het moment van instappen of opstappen maar voor de meesten ligt dat moment toch om allerlei redenen eerder.
Mijn motorreis naar Nepal begon bij hectometerpaal 113.7 op de A12.
Als ik op grauwe dagen op mijn motor stap, op weg naar werk of avontuur denk ik, katholiek gevormd, aan mijn engelbewaarder.
Zijn enige opdracht door Hem gegeven is mij op mijn levenswandel te behoeden voor ongeluk.
Ergens onderweg in Italië op de Passo di Pardoi staan in een bocht onder een billboard een tiental motorrijders langs de weg. Een paar praten en wijzen. De meesten zwijgen. Vijftig meter verder ligt een gehavende Honda CBR 600. Deze 600 heeft de laatste 50 meter duidelijk niet op z’n twee wielen afgelegd. Op het asfalt de hoekig getekende contouren van een mens. Ligt de motorrijder daar zelf nog, dan is er hoop maar witte krijtlijnen laten alle hoop verdwijnen.
Op de billboard zelf staat in abstracte, vriendelijke contouren een motorrijder afgebeeld met daaronder de tekst “Geef je engelbewaarder ook een kans”. Het slachtoffer was duidelijk even iets sneller geweest dan zijn engelbewaarder kon vliegen.
Rijdend vanuit Doetinchem richting A12 wordt ik ingehaald door een auto die meteen daarna tollend in de berm verdwijnt en tot stilstand komt tegen de vangrail. Even daarvoor was ik na een Nepal-meeting in Doetinchem op mijn GS gestapt. Het regende.
Toen ik de auto de berm in zag denderen, voelde ik dat het een stuk kouder was dan die middag en meteen gingen alle alarmbellen af.
IJzel. “Het zal toch niet zijn gaan ijzelen?”
Het gas eraf en kruipend begin ik aan de lange oprit naar de A12.
“Of is het toch maar gewoon regen? Doorrijden.
Ik nam nog meer gas terug. De regen ging over in sneeuw.
“Deze bocht heb ik gelukkig gehad. Ik hoef nu alleen nog maar rechtdoor.”
Ik concentreerde me op de auto’s voor me. Het tempo zakte en mijn vizier begon aan te slaan. Ik zette het een beetje open. Het tempo zakte nog meer en het vizier ging verder open. Nu begon mijn bril aan te slaan.
De weg werd steeds witter. Er ontstonden twee zwarte sporen die steeds smaller werden. Het vizier stond nu helemaal open maar nu werd het zicht weggenomen door de sneeuw op mijn bril.
“Ik moet van de weg af. Straks ga je op je bek. Je ziet geen donder meer.
Die auto van zojuist was een teken van je engelbewaarder. Zet hem aan de kant.”
Het bleek dat ik midden op een viaduct was gestopt. De auto’s reden rakelings langs me. Voorzichtig slippend reed ik nog 50 meter.
“Wat nu. Bellen. Maar naar wie. Naar thuis.”
Voor mij zag ik de achterlichten oplichten van een auto op vluchtstrook.
Voorovergebogen kwam een man naar me toe met z’n jas gedeeltelijk voor zijn gezicht tegen de sneeuw. Was dat mijn engelbewaarder?
Vleugels had ie niet. En hij reed gewoon in een Toyota Carolla.
Hij heette ook geen Gabriel of Rafael maar gewoon Sjef.
“Ik ben je gaan zoeken. Ik dacht die heeft het moeilijk. En toen we tegen elkaar zeiden, die hebben we gemist, zag ik je staan.”
Ik heb de motor snel strak tegen de vangrail geparkeerd, schijfslot en alarm erop. Een minuut later zat ik veilig tussen de vier winterbanden naast mijn engelbewaarder en maakte mijn eerste kilometers op weg naar Kathmandu.
25 maart
Vandaag zijn we voor het laatst in Iran en genieten we ook voor het laatst van zijn gastvrijheid. Die is de laatste dagen nog enorm toegenomen. We hebben nu zelfs bodyguards die over onze veiligheid waken.
We rijden al vier dagen door een prachtig landschap. Een woestijn.
Hij is onvoorstelbaar groot en heel leeg. De wegen zijn lang en recht en aan de horizon de hele dag dat grote glinsterende, uitnodigende meer dat nooit dichterbij komt.
Iraanse gastvrijheid is spreekwoordelijk. Dat was waarschijnlijk al zo ten tijde van koning Darius, zo'n 2500 jaar geleden. Darius en zijn opvolgers bouwden Persepolis en verhieven het tot het bestuurs- centrum van een rijk dat zich uitstrekte van Macedonië tot India.
Er woonden niet alleen Meden en Perzen maar ook Elamieten, Parthen, Sogdiërs, Egyptenaren, Bactriërs, Babyloniërs en nog veel meer volkeren met exotische namen. Eigenlijk een soort EU, maar dan lang geleden.
Soms gaat het ook wel mis met die gastvrijheid. Toen Alexander de Grote in Persepolis te gast was, herinnerde hij zich dat Xerxes en zijn leger 200 jaar eerder tijdens een bezoek aan Athene de Acropolis in die stad in brand hadden gestoken. Dat moest gewroken worden dus deed hij hetzelfde in Persepolis met het paleis van zijn gastheer dat tot de grond toe afbrandde. In de eeuwen daarna vervielen de ruines tot een prachtige toeristische attractie.
En het was natuurlijk weer een Hollander die zo nodig zijn naam in de muur moest krassen bij de ingang. Cornelis de Bruijn was hier. Dat het 1704 was, doet niet ter zake. Zoiets doe je niet. Je vraagt je wel af of Cornelis ooit weer thuis gekomen is.
In het moderne Iran gaan gastvrijheid en betalen soms moeilijk samen. Men vindt het hier enigszins genant een gast geld te vragen voor geleverde diensten of goederen. Is loven en bieden in Turkije verheven tot kunst, hier weigert men in eerste en soms in tweede en derde instantie beleefd de betaling. Het lastige is dat ze het geld eigenlijk wel willen. Ze verwachten echter van jou dat je blijft aandringen. Daarmee maak jij het voor hen gemakkelijker het geld te accepteren. En dat gaat natuurlijk ook wel eens mis. In een eerdere situatie met de leraar Reza waren zijn afwijzingen zo overtuigend dat Jan en ik uiteindelijk beleefd bedankten voor het eten en vertrokken. Nu besef ik dat Reza zijn hand overspeelde en wij nog meer hadden moeten aandringen.
Gastvrije plekken bij uitstek zijn natuurlijk hotels. Hoteliers hebben echter al lang geleden het spel van aandringen weten uit te bannen. Vermoedelijk gaven slechte ervaringen daar aanleiding toe.
Waarschijnlijk is diezelfde gastvrijheid er de oorzaak van dat Iraniërs enorme klunzen zijn in het verkeer. Ik was een aantal malen passagier, heb het overleefd en kan dus oordelen. Een Iraniër stapt in zijn auto en grijpt het stuur met beide handen vast. Recht vooruit kijkend, enigszins voorover gebogen, rijdt hij langzaam schuin de weg op. Hij vertrouwt daarbij op de gastvrijheid van zijn rijdende landgenoten. Wil landgenoot echter ooit op de plaats van zijn bestemming aankomen en toch niet ongastvrij zijn, dan gebruikt hij zijn claxon. Daarmee maakt hij duidelijk; ik wil je wel voorrang verlenen maar nu eigenlijk toch even niet. Daarom is het verkeer hier zo luidruchtig en chaotisch. Men kijkt niet om zich heen, doet maar wat en verontschuldigd zich per claxon.
Zagen we bij het binnenrijden van Esfahan onze eerste verkeersdode, nu we Iran verlaten staat daar vlak voor de grens het uitgebrande wrak van een personenauto. Het asfalt is gesmolten. Er achter de boosdoener, een zware, kromme vrachtauto met een grote gele wielklem.
Ik heb nooit een beslissing kunnen nemen welke identiteit ik moest aannemen in Iran. Nu besef ik dat het ook niet nodig was. Iraniërs en het land maakten het me gemakkelijk.
Alleen de laatste dagen gingen ze wel erg ver in de uiting van hun gastvrijheid.
Het begon met bewaking tijdens ons verblijf in Bam. Tijdens een wandeling naar het oude historische centrum dat vijf jaar geleden volledig werd verwoest door een aardbeving, werden we gevolgd door een auto met twee mannen erin. Op het moment dat we zeer hinderlijk werden lastig gevallen door een junk grepen ze in. De man werd op zeer hardhandige wijze hun auto ingeslagen. De rest van de dag waren ze steeds op de achtergrond aanwezig. Toen ik de volgende ochtend even naar de winkel aan de overkant van de straat wilde, kwam in de auto onder 'n deken een slaperig hoofd te voorschijn. Half slapend volgde hij mij naar de winkel.
Vervelender werd het tijdens onze rit van Bam naar Zahedan. In de woestijn waar we doorheen reden, was het 33°. Voor en achter ons bewapende militairen en politie die ons van plaats naar plaats begeleidden. In iedere plaats weer een nieuwe set agenten, soldaten en geweren. En weer werden we geteld, weer werden de nummerplaten van de motoren genoteerd en weer de namen uit de paspoorten overgeschreven. We hebben uren wachtend doorgebracht in de brandende zon.
En vanochtend naar de grens dezelfde film. Soms reden onze escortes zo langzaam dat de motoren bijna omvielen. Al die mannen zijn eigenlijk allemaal chef van magazijnen vol lege dozen. En maar schuiven en liefst met veel papieren vol namen, handtekeningen en stempels.
En bij de grens toch nog een verassing. We moeten 20 uur wachten voor we Pakistan binnen mogen. Waarom? Allah mag het weten.
28 maart
We rijden door de Kachki Dessert in Paskistan en het is 42°C.
Liesker. Met Liesker spreekt u. Mijnheer Van Liempd, moet u eens luisteren. Wat heb ik nu weer over u gehoord?
Henri Liesker is ver in de tachtig en was en is mijn tekenleraar. Hij was het eind jaren '60 en eigenlijk is hij het nog steeds omdat zijn lessen mede bepalend zijn voor de loop van mijn leven. Misschien is het wel zo dat ik door zijn lessen hier nu rij.
Rijdt u met de motor helemaal naar Nepal? Maar dat is toch heel ver weg?
Hij is klein en krom geworden en loopt met een stok. Maar zijn geest is nog zoals toen hij recht en statig was. En die beweeglijke, trillende handen had hij toen al.
Jongelui, stel je voor, je staat aan de poort van de hemel.
Je klopt, de poort gaat open en er verschijnt een man met een sleutel........
Met die paar zinnen opende hij eens een les en hij deed dat zo beeldend dat ik werkelijk een poort open zag gaan. Ik hoorde hem kraken en knarsen. En in het lokaal verscheen Petrus.
Henri Liesker was in staat mijn fantasie zo te prikkelen dat ik visioenen zag.
Mijnheer Van Liempd, wat denkt u daar in Nepal te gaan doen?
Hij heeft nooit en rijbewijs gehaald. Voor zijn reizen heeft hij dat ook niet nodig. Zijn reizen maakt hij in zijn prachtige tuin. Hij reist daar langs kleurrijke bloemenperken en bloeiende struiken. En zijn handen laten op aquarelpapier onstaan wat zij ogen waarnemen. Het wit in de perken blijft op papier onberoerd en daar omheen groeien talloze kleuren die samen meer dan het evenbeeld zijn van wat hij ziet.
Zijn kleurrijke aquarellen verzanden in een fata morgana.
Meneer Liesker, waar gaat u heen? Voorzichtig loopt de kromme oude man de weg af de woestijn in. Daar staat hij stil en kijkt om zich heen. Met zijn stok raakt hij voorzichtig de patronen in het zand aan die gemaakt zijn door de wind. Hij port wat in dorre struiken die weg rollen door een windvlaag. Hij draait zich wat om, kijkt naar mij en zegt: Prachtig, werkelijk prachtig.
Een aquarel zal hij er niet van maken, daarvoor heeft hij teveel gereisd in zijn eigen bloementuin.
31 maart
Vandaag is het rommeltjesdag. Geen lopend verhaal maar allerlei zaken met losse eindjes.
Hier in Pakistan hebben we elke dag te maken met bewakers. Die zijn er om ons te beschermen. Beschermengelen dus. Stoere kerels met grote geweren. Je kunt je kont niet keren of ze staan achter je. Ze begeleiden ons ook op onze ritten door het land. Dat gaat als volgt.
’s-Morgens verlaat je jouw kamer en stapt over een slapende bewaker heen die onder aan de trap ligt. Zijn machinegeweer ligt naast hem. Buiten zitten nog een paar van die heren. Die zijn al wakker. Er staan twee auto’s te wachten. We pakken onze spullen op de motor. Voor de groep vertrekt noteert iedereen eerst zijn paspoort- en visumnummer, naam en nationaliteit, naam van de vader, bestemming en datum. Dat maal 13 (personen) is een half uur.
Dan gaan we rijden. Jeep van voren, jeep van achteren. De voorste met een machinegeweer op het dak. Snelheid 60 km per uur. Als je de stad uit bent wordt je overgedragen aan een volgende, nieuwe ploeg. Voordat we doorrijden noteer je eerst op een nieuw vel papier je paspoort- en het visumnummer, je naam en nationaliteit, naam van je vader, bestemming en datum. Dat maal 13 is een half uur. Dan gaan we weer rijden. Na wat gekanker van de motorrijders voorop loopt de snelheid op naar 70 km per uur. Een uur later weer stoppen bij een politiepost van een volgende district. We worden weer eens overgedragen. Voordat we doorrijden noteren we eerst op weer een nieuw vel papier paspoort- en visumnummer, naam en nationaliteit, naam van de vader, bestemming en datum. Dat maal 13 is een half uur bij 39°C. Omdat we nu door de bergen trekken is onze nieuwe voorganger een motortje met achterop de man met het geweer. Die 150cc is geen partij. We knallen meteen weg. De kiem van oproer is gelegd.
Als we op onze nieuwe kamer arriveren ga ik eerst met mijn motorpak en helm onder de douche staan en spoel het stof van helm, pak en laarzen. Vervolgens doe ik mijn schoenen uit en hang het pak te drogen. In mijn ondergoed en met sokken aan ga ik opnieuw onder de douche met in mijn linkerhand een fles shampoo, de rechter gebruik ik om de knoppen te bedienen. Ik besprenkel alles royaal met shampoo en wrijf het stevig in.
Ik besteedt extra aandacht aan vitale plekken. Daarna trek ik alles uit, was mijn weelderige haardos en hang ondergoed en sokken te drogen. Alles is weer spic en span voor de volgende dag. Het is verboden het hotel te verlaten.
Als je als boer met je 50 schapen en 15 koeien aan de ene kant van een vierbaansweg woont en de weilanden liggen aan de andere kant dan steek je die weg met je kudde gewoon twee keer per dag over. Stoppen doet niemand, gewoon er tussen door laveren.
Op en langs de kant van de weg liggen veel kadavers van doodgereden beesten. Vrachtwagenchauffeurs maken er een sport van zwerfhonden dood te rijden. Een hoofdweg hier heet dan ook flat dog avenue. Het gekke is dat als een hond eenmaal het loodje gelegd heeft, er eerbiedig omheen gereden wordt. Iedereen gebruikt trouwens die vierbaansweg. Wandelaars, fietsers en ook ezelkarretjes. Erg grappig is een inhaalpoging van twee van de karretjes. Een van de ezeltjes moet dan in galop en daar houden ze niet zo van. En ze laten dat luidkeels merken. Dat doet ook het achteropkomende verkeer. Het woord geduld kennen ze niet in Pakistan.
We beginnen de dag als gisteren. We pakken onze spullen. Voor de groep vertrekt noteert iedereen eerst zijn paspoort- en visumnummer, naam en nationaliteit, naam van de vader, bestemming en datum. Dat maal 13 is een half uur. De auto aan kop kan niet harder dan 40 km per uur. Hij is kapot.
De commandant geeft een teken dat we door kunnen rijden. 20 km verder worden we naar de kant van de weg gedirigeerd. Weer een ander district. Voordat we weer rijden noteren we in de volle zon eerst op het zoveelste nieuwe vel papier paspoort- en visumnummer, naam en nationaliteit, naam van vader, bestemming en datum. Dat maal 13 is een half uur. Het is 42°C. Er wordt nu openlijk gemord. De auto aan kop rijdt 75 km per uur. Zo links en rechts gaat het borrelen. Het oproer kraait. Ook het volgende hotel mogen we niet uit.
5 Rijders hebben geld nodig. Dus willen ze even naar een pinautomaat, 900 meter verder in de stad. Ze stappen in een gesloten jeep. Achterin liggen kogelvrije vesten. Er stappen ook vier agenten in met machinegeweren. Voorop rijdt een jeep met gewapende soldaten. De hekken van het hotel gaan open en ze rijden in colonne naar de flappentapper. De plek wordt door een cordon agenten hermetisch afgegrendeld. Ze pinnen het geld en gaan op dezelfde manier terug naar het hotel.
We hebben onze bewakers uitgelegd dat we geen namen en gegevens meer noteren. Dat hebben we de afgelopen twee dagen al zo’n tien keer gedaan.
Ook willen we eigenlijk niet meer in een groep rijden. Omdat het tempo van de groep zo laag ligt doen zich gevaarlijke situaties voor. Bij riskante inhaalpogingen door auto’s en bussen komt het herhaaldelijk voor dat deze voertuigen zich tussen de motoren moeten wringen.
De bewaking is echter onverbiddelijk. En het tempo ligt weer erg laag.
Dan breekt de muiterij uit. Plotseling geeft iedereen gas en vliegen we links en rechts langs de jeeps. Schreeuwend proberen de agenten de zaak in het gareel te houden. Als dat niet lukt nemen ze contact op met de posten verderop. Die staan midden op de weg te gebaren dat we moeten stoppen maar er wordt gewoon doorgereden. En die grote geweren maken ook niet meer zo’n indruk. Die avond is het hotel hermetisch afgesloten. We mogen er weer niet uit.
Op de beide laatste reisdagen door Pakistan worden we begeleid door elitetroepen. Op hun shirt staat voorop Elite en achterop No Fear.
Ze hebben geleerd van de afgelopen dagen. We krijgen de vrijheid maar hoe hard we ook rijden, ze zijn nooit uit het zicht.
En warempel, we krijgen op de valreep die avond in Lahore nog iets te zien van Pakistan. De stad is door recente, zeer zware aanslagen een vesting geworden. We zijn door de plaatselijke motorclub uitgenodigd voor een diner. Hun leider, Assad hebben we eerder die dag bij toeval ontmoet. Zware motoren zijn in Pakistan niet te koop maar de 15 leden van de club hebben er diversen zelf geïmporteerd. Een zware motorfiets is in Pakistan door een vorm van BPM ongeveer 50% duurder dan in Nederland. We worden opgehaald. Ook de auto’s die de heren die avond rijden zie je in Pakistan niet of nauwelijks. Het diner was super. De motorclub begeleid ons morgen ook naar de grens met India. Een echte Paki heb ik me nooit gevoeld. Daarvoor hebben we te weinig van het land gezien.
De eerste algemene pagina raakt te vol. Daarom een nieuwe pagina.
Ook heb ik een eerder verhaal (14 maart met foto’s) over Jack Vance teruggeplaatst.
Toen bleek dat de foto’s voor vertraging zorgden in de opbouw van de pagina.
Hopelijk is dat nu beter. Pagina twee start met een zorgelijk en een wonderlijk verhaal over India.

|